donderdag 9 juni 2016

Opwarming van de aarde – feit of fictie?

Ledenvergadering 10 juni 2016 - 20u
Evenementenhal "Den Dijk" te Zonhoven
Voordracht Elke Vandezande : "Opwarming van de aarde – feit of fictie?"
Tussen vorig jaar oktober en afgelopen maand april hebben jullie allicht regelmatig iets opgevangen over de klimaattop in Parijs. Wat wordt er op zo’n klimaattop allemaal besproken? Waarom is deze nodig? En wat is er nu uit de bus gekomen? Men spreekt zo vaak over de opwarming van de aarde, maar dit begrip is eigenlijk niet juist, meer correct is milieu veranderingen. Want niet alleen de temperatuur wordt beïnvloed, er zijn ook nog heel wat andere dingen gaande, van regen tot ijs, van zeestromingen tot zeeniveau. Hoe onderzoeken wetenschappers dit? En hoe helpt het verleden van de aarde hierbij?





Enkele websites voor verdere referentie:

Verdere referenties van de Webmaster:

Het Pleistoceen

 Het Pleistoceen, dat men ook wel ijstijd noemt, wordt weliswaar door uitgestrekte landijsbedekkingen gekenmerkt, maar toch was het geen permanent-koude periode. Tijdens de laatste 3 miljoen jaar von­den veeleer talrijke, relatief snel opeenvolgende kli­maatsveranderingen plaats. Dienovereenkomstig kan men meerdere koude perioden (glacialen) en warmte-perioden (interglacialen) onderscheiden. Deze worden op hun beurt weer door kleinere klimatologische verschuivingen onderverdeeld, die men overeenkom­stig als koude fasen (stadialen) en warme fasen (inter-stadialen, oscillaties) aanduidt. Nadat reeds in het oudste Pleistoceen (Villafrancien) meerdere warmte-en koudetijden opgetreden waren, zijn in het midden-europese landijsgebied drie, respectievelijk vier gla­cialen duidelijk aantoonbaar: na de in het alpengebied onderscheiden Günz-ijstijd begint bijna l miljoen jaar geleden het warme Cromerien, dat tenslotte door de grote Mindel-ijstijd gevolgd wordt. Deze stelt men ook wel gelijk met de Elster-ijstijd van de in het noor­den van midden-Europa gebruikelijke indeling. Hier­op volgen het warme Holsteinien (400.000 tot 300.000 jaar geleden); de Saale-(Riss)ijstijd en het warme Eemien. De afsluiting van het ijstijdperk wordt gevormd door de van ongeveer 80.000 tot 8.000 voor Chr. durende Würm-(Weichsel)ijstijd.
Het Würm-glaciaal werd door talrijke warmtefasen onderverdeeld: Amersfoort-interstadiaal (rond 64.000 voor Chr.), Brörup-(58.000 voor Chr.), Hengelo-(31.000 voor Chr.) en Paudorf-interstadiaal (ongeveer 24.000 voor Chr.). Tijdens de toenemende verwar­ming in de loop van het laatglaciaal, dat de definitieve terugtocht van het landijs naar Scandinavië veroor­zaakte kwam het tot een snelle opeenvolging van koude- en warmtefasen: oudste toendratijd = Dryas I (14.000 tot 11.500), Bölling oscillatie (11.500 tot 10.000), Alleröd oscillatie (10.000 tot 8.800); jongere Toendratijd = Dryas III (8.800 tot 8.000 voor Chr.).
Daarop volgde de nog steeds voortdurende warme periode, het Holoceen, dat in het Preboreaal (8.000— 6.500), het Boreaal (6.500 — 5.500), het Atlanticum (5.500-2.400), het Subboreaal (2.400-800) en het Subatlanticum (800 voor Chr. tot heden) onderver­deeld wordt.
Tijdens het Elster-Glaciaal drong het ijs het verst naar het zuiden op. Het strekte zich uit van Zuid-En-geland, over Nederland tot aan het Thüringer Bekken, en verder langs de noordrand van de middelgebergten tot in Oost-Europa. Ook grote delen van noordelijk Azië en Noord-Amerika waren met een enorm ijs-schild bedekt. De hogere gebergten (Alpen, Pyre­neeën, Karpaten) droegen gletsjers, die ver in het voorland doordrongen, b. v. tot aan de Donau, en uitgestrekte voorlandvergletsjeringen veroorzaakten. In totaal was 6 miljoen km2 onder het ijs begraven. Tij­dens het laatste glaciaal lag de ijsgrens langs de zuide­lijke kustgebieden van de Oostzee.
Het landschap van vóór het landijs werd geken­merkt door puinwaaiers, kale, uitstekende rotsen en vooral in de vlakten, door toendra's met een dunne vegetatie van mossen, kostmossen, dwergberken, struikwilgen en andere weinig eisende planten (Dryas octopetala, Helianthemum), alsmede door uitgestrekte lösssteppen met grassen en kruiden. In de loop van de voortschrijdende verwarming breidden zich eerst berken en wilgen uit, later ook sparren en er ontston­den uitgestrekte berken- en sparrenwouden. Spoedig verscheen ook de hazelaar en tenslotte olm, eik, linde, ahorn, es en els, liguster, vlier, beuk, walnoot, wijn­stok en vele andere warmteminnende planten. Zij vormden te zamen de dichte, gemengde bossen op het hoogtepunt van de warme periodes, zoals blad-afdrukken bijvoorbeeld in het Travertin van Bilzings-leben (Holsteinien-interglaciaal), Weimar-Ehringsdorf en Ganovce (Eemien-interglaciaal) en de grote plant­aardige overblijfselen en pollendiagrammen uit holocene moerassen bewijzen.
De veelal ingrijpende klimatologische en geogra­fische veranderingen tijdens het Kwartair hadden ook ten gevolge, dat de verspreidingsgebieden van de die­ren verschoven en enerzijds nieuwe soorten ontston­den, anderzijds overgespecialiseerde soorten en zelfs geslachten uitstierven, zoals bijvoorbeeld de bosolifanten (Palaeoloxodon antiquus) uit de warme peri­odes, de bosneushoorn (Dicerorhinus kirchbergensis) en het reuzenhert en de reusachtige steppenolifanten (Mammonteus trogontherit) uit de ijstijd, de mammoet (Mammonteusprimigenius), de wolharige neushoorn (Coelodonta antiquitatis) en de holenbeer (Ursus spe-laeus).
De relatief ongespecialiseerd gebleven Hominiden ontwikkelden zich in het Pleistoceen sneller dan ooit tevoren. In minder dan 3 miljoen jaar ontstonden drie in principe opeenvolgende soorten: Homo habilis, Homo erectus en Homo sapiens.


Overgenomen uit: Mensen uit de Oertijd.